De Lemniscaat
De lemniscaat is in de wiskunde bekend
als een symbool voor oneindigheid.
Datgene wat niet meer met welk getal ook
is uit te drukken. Rechtopgezet is het een cijfer: de 8.
Tussen deze duidelijke 8 en de bijna niet te
bevatten oneindigheid van het wiskundige
symbool is méér. Het is ook een teken van ademhaling
en van genezing. In het onderstaande wordt dit toegelicht.
Waar komen we de lemniscaat in de natuur tegen?
Met veel geduld zou men hem als volgt kunnen vinden: men steke een stokje in
de grond ; kijkt men nu regelmatig op precies hetzelfde tijdstip, bv 12 uur
's middags, naar het puntje van de schaduw -in het geval de zon schijnt- en
zetten we daar steeds een stip op de grond, dan onstaat er na een jaar een lemniscaatvorm
:
In de Winter is de schaduw het langst, in de zomer het kortst; tussendoor staat
de zon niet exact in het midden, zodanig, dat in het schaduw verloop deze lemniscaatvorm
ontstaat.
Hiermee samengaand wisselen de seizoenen: de winter, het koude jaargetijde bij
laagstaande zon, het warme bij een hoogstaande zon, en een overgangstijd daartussen.
Opvallend is dat niet alleen de natuur drastisch verandert in de seizoenen,
maar dat mensen daar ook aan meedoen: 's zomers, met warm en mooi weer, trekken
ze erop uit; genieten van de wereld om hen heen en zijn zodoende naar buíten
gericht. In de herfst wordt dat van lieverlee minder; de mensen trekken zich
niet alleen steeds meer terug in hun huis, maar zijn ook steeds meer innerlijk
en meer bewust bezig. In de winter is dat nog sterker. 's Zomers spitten we
de tuin om, 's winters zitten we liever met een boek bij de kachel.
Deze afwisseling van de seizoenen, deze ritmische afwisseling vinden
we ook op kleinere schaal: in het dag-en-nacht ritme. Overdag is de mens
druk aan het werk, letterlijk en/of figuurlijk naar buiten toe bezig, om
savonds zich terug te trekken binnenshuis, daarbij meer overdenkend wat
de dag heeft gebracht. Een nog verdergaande afwisseling is het volgende:
een mens leeft overdag met een voor hem alledaags bewustzijn, dat vooral
op de buitenwereld is gericht; savonds, nadat alles donker is gemaakt,
trekt hij zich tenslotte zo sterk in zichzelf terug, dat hij in slaap valt
en 's nachts in een geheel onbewuste toestand leeft.
Is er een nog kleiner ritme in bovenstaande zin, in de zin van afwisseling
van binnen naar buiten en omgekeerd, te vinden? Het is er, al is het wat
subtiel en waarschijnlijk niet voor iedereen direkt merkbaar: de ademhaling.
De ademhaling gaat samen met een voortdurende afwisseling van spanning
en ontspanning. Bij de inademing worden de ademhalingsspieren ingespannen,
bij de uitademing is er een ontspanning. Wie er op let zal misschien kunnen
merken dat er bij de inademing een lichte bewustzijnsversterking optreedt,
met een sterkere aandacht voor de buitenwereld, en bij de uitademing een
lichte ontspanning, en een tot zichzelf komen. Na drukke werkzaamheden
gaan we zitten om eens even 'uit te blazen'.
In de tegenwoordige tijd is dat laatste overigens een probleem. Men heeft het
druk, heeft een vol dagprogramma, en gaat ook savonds vaak door met activiteiten.
Je zou kunnen zeggen: de inademing overweegt in deze tijd. Ontspanning, rust
en slaap komt men te kort; aangezien dit direkt samenhangt met herstel en voldoende
vitaliteit, zijn allerlei ziektetendensen een mogelijk gevolg van dit tekort
aan rust.
Het zich naar buiten bewegen en het vervolgens zich naar binnen terugtrekken
speelt zich ook af bij een gesprek tussen twee mensen. Zolang de eén
luistert, beweegt deze zich met z'n aandacht naar de ander toe en leeft zich
in in wat er gezegd wordt; Vervolgens komt men weer bij zichzelf en reageert
op het gehoorde, nu van het eigen innerlijk uit. Helaas lukt dit niet
altijd zo goed. Niet zelden praten mensen langs elkaar heen. Verloopt een gesprek
echter wel op deze wijze, dan ontstaat iets goeds; er ontstaan bv. nieuwe ideeën
en gedachten: dat wat de één inbrengt heeft namelijk te maken
met dat van de ander maar is tegelijkertijd ánders. Door dit heen en
weer kan het ene het andere bevruchten en kan iets nieuws ontstaan.
Hoe innig de lemniscaat met de mens verbonden is blijkt uit één
van de beschrijvingen van Rudolf Steiner van de menselijke ziel: de ziel is
ook als een lemniscaat te zien: enerzijds een bewust deel; aan de hoofd-kant,
verbonden met een afbrekend principe, anderzijds een onbewust deel, opbouwend
werkzaam in de stofwisseling.
In de anthroposofische geneeskunde is dit een belangrijk beeld waarvanuit veel
inzichtelijk wordt en waarvanuit veel gewerkt wordt: een mens is aan de ene
pool, de bovenpool verbonden met afbraakkrachten; kou, bewustzijn en vorm, ordening
; aan de tegenpool, de onderpool is de mens verbonden met opbouwkrachten, met
onbewustheid, doorwarmende en oplossende krachten.
Deze principes zijn tegengesteld, en sluiten op elkaar aan via een tussengebied,
het middengebied. Daarbij werkt er van beide polen in ritmische afwisseling
iets dóór in dit middengebied. De organen die hier werken zijn
hart en longen; in een voortdurende afwisseling van beweging en rust, in een
ritme scheppen ze evenwicht. Vooral als één van de beide polen
overheerst is dit erg belangrijk. Als bv. de stofwisseling te sterk naar boven
toe doorwerkt, probeert het ritmische middengebied toch evenwicht te behouden
en iets te compenseren.Hier is het gebied van evenwicht en gezondheid.
In het skelet van dit middengebied, in de wervels en de ribbekast, is op dwarsdoorsnede
een lemniscaat zichtbaar!
In de organen die door de ribbekast omsloten worden, hart en longen,
gaat het meer om de functie: afwisselend in- en uitademen betekent afwisselend
concentreren en verzamelen van lucht en het uitstoten en verdunnen ervan. Zo
ook in het hart: Vanuit een wijde omtrek via de aderen verzamelt zich het bloed,
om vervolgens door het hart weer via de slagaderen geheel te 'versproeien'.
Vervolgen we overigens de lemniscaat in z'n beweging van links naar rechts en
weer terug, een aantal malen, dan voelen we als het ware het hart al kloppen,
of de ademhaling gaan.
Een middengebied, zijnde een leefbaar gebied tussen twee tegenstellingen, tussen
twee polen, is overal in de levende natuur zichtbaar. Het is een levensprincipe.
De drie gebieden, de polen met het middengebied, vormen in de mens een houvast
voor drie basale zielekwaliteiten: het hoofdprincipe is met het denken verbonden,
het middengebied met het voelen, en het stofwisselingsgebied met het doén,
met het willen.
De lemniscaat hangt vooral met het middengebied, met het voelen
samen; en wel in zoverre, dat de stromende, in elkaar wevende beweging van de
lemniscaat ook de bewegingskwaliteit van het voelen is; in tegenstelling tot
het heldere, strakke karakter van het denken en de drukke, dynamische beweging
van het willen. Zo is het middengebied, het evenwichtscheppende gebied, met
het voelen verbonden. En daar bestaat een mogelijkheid tot stimulering, ja zelfs
tot therapie: de kunst.
Het kunstzinnige werkt, als het niet al te modern is, in gunstige zin op ons
gevoelsleven in. Een mooi schilderij of een mooi muziekstuk doet ons goed; het
doet ons anders, dieper ademen; we worden ietsjes warmer, het bloed stroomt
weer iets beter; een hulp tegen de meest uiteenlopende verstoringen in
het lichaam. Met kunstzinnige therapie is activering van het middengebied, van
het gezonde evenwicht mogelijk
In ruimere zin is het bij ziekte altijd zinnig om ritme te stimuleren; tijdig
rust nemen, lang genoeg slapen, regelmaat in de voeding. In de afwisseling van
tegengestelde kwaliteiten ligt een basis voor gezondheid. De lemniscaat is een
vorm,
een beweging, die dit laat zien.
De naam van ons blad: Binnen-Buiten
Nadat uit bovenstaande hopelijk is gebleken hoe rijk en hoe wezenlijk het begrip
lemniscaat voor de anthroposofische geneeskunde en voor ons gezondheidscentrum
is, zal mogelijk als vanzelf duidelijk zijn dat de naam binnen-buiten
hier direkt op aansluit en zodoende een heel geschikte naam is voor ons blad.
Daarbij is er het simpele feit dat in een blad als dit van alles naar buiten
komt wat binnen in het centrum leeft. Dat wordt in de naam dus ook aangegeven.
Tevens wordt erin uitgedrukt datgene waar de anthroposofie in algemene zin voor
staat: naar buiten brengen dat wat innerlijk in de wereld te vinden is; bewust
maken van de achtergronden van ons bestaan.
En omgekeerd datgene wat buiten is, wat uiterlijk zichtbaar is, te verinnerlijken;
door een intensiever omgaan met de natuur, het gebeuren in de wereld, de
wetenschap, de medemens, daar innerlijk meer mee te leven en meer inhoud
te geven.
Huib de Ruiter