Antroposofische geneesmiddelen

Paragrafen:

Inleiding
Het ontstaan van de antroposofische geneesmiddelen
Het verschil tussen antroposofische en homeopatische geneesmiddelen
Mens, natuur en ziekte
Voorbeelden van natuurlijke geneesmiddelen
Verschillende benaderingswijzen van ziekten
Winning
Medicinale werking
De maretak
Kanker
Bereidingswijzen van antroposofische geneesmiddelen
Potentiëren
Droog potentiëren
Bereidingen vóór het potentiëren.
Warmtebehandelingen
Alcohol en ritmische behandeling
Wijzen van toediening en hun werking op de mens
Houdbaarheid
Druppels
Korrels en tabletten
Zalven en oliën
Bewaren
Algemene aanwijzingen voor het gebruik
Ritme
Dosering van druppels
Dosering korrels en tabletten en poeder
Pepermunt, koffie en sigaretten
Gewone geneesmiddelen in kombinatie met antroposofische geneesmiddelen
Verkrijgbaarheid
Afkortingen
Op het recept
Huisapotheek
Plant als beeld van een ziekte
Het antroposofisch mensbeeld
Drieledigheid

Inleiding
Antroposofische geneesmiddelen zijn middelen van minerale, plantaardige of dierlijke oorsprong.
De mens heeft met deze geneesmiddelen uit de natuur een bepaalde verwantschap, in tegenstelling tot de biochemische geneesmiddelen zoals die tegenwoordig gebruikt worden.
De natuurlijke verwantschap tussen de mens en de substanties uit de natuur houdt niet in dat deze substanties zonder meer geschikt zijn om in te nemen. Giftige stoffen zijn bijvoorbeeld vaak goede geneesmiddelen, mits de dosis zeer klein is. Andere substanties hebben van nature weinig invloed. De geneeskrachtige werking daarvan dient eerst nog “ontsloten” te worden door een wijze van bereiden die verder aan de mens is aangepast.
In deze brochure…

Het ontstaan van de antroposofische geneesmiddelen
De eerste antroposofische geneesmiddelen zijn aan het begin van deze eeuw ontstaan. Dit gebeurde doordat artsen raad vroegen aan Rudolf Steiner, de grondlegger van de antroposofie (1861-1925). Hij was in staat op directe wijze de geestelijke achtergronden van een ziekte en van een geneesmiddel waar te nemen. Door deze waarnemingen op wetenschappelijke wijze te bewerken, maakte hij het mogelijk voor anderen, die niet over deze vermogens beschikten, toch met deze geestelijke achtergronden te werken. Voor de artsen, die toen werkzaam waren in de homeopathie, hield hij cursussen over de antroposofische geneeskunde. In samenspraak met deze artsen zijn diverse geneesmiddelen ontstaan. Vooral werkte Rudolf Steiner samen met een Nederlandse arts, Ita Wegman. Zij stichtte een kliniek waarin zij bijna dagelijks met Rudolf Steiner naar patiënten keek en met hem de behandeling besprak.
Soms werden geneesmiddelen gebruikt, die ook in de homeopathie bekend waren, maar nu vanuit een geheel nieuw gezichtspunt werden toegepast. Vaak werden geheel nieuwe geneesmiddelen aangegeven. De ontwikkeling en bereiding van de geneesmiddelen vond plaats in een naast de kliniek gelegen laboratorium. Later gaf Rudolf Steiner de naam “Weleda”aan deze eerste fabrikant van antroposofische geneesmiddelen.

Het verschil tussen antroposofische en homeopatische
geneesmiddelen
Er bestaat een grote overeenkomst tussen antroposofische en homeopathische geneesmiddelen. Beide maken gebruik van de rijkdom die de natuur aan geneeskrachtige substanties biedt, in de vorm van mineralen, geneesplanten en dierlijke substanties. De overeenkomst zit vooral in de bijzondere wijze van de bereiding van de geneesmiddelen: het verdunnen, het zg. potentiëren.
Bij het potentiëren wordt bereikt, dat de in de substantie verborgen krachten werkzaam worden in plaats van de chemische stoffen (zie blz 00).
De grondlegger van de homeopathie, de Duitse arts Hahnemann, heeft in het begin van de 19e eeuw twee belangrijke principes in de geneeskunde ingebracht. Het eerste ontdekte hij, toen hij een boek vertaalde waarin de werking van kinine beschreven stond. Hij herkende deze symptomen die de kinine teweegbracht als overeenkomend met de symptomen van een malaria aanval. Daarbij kwam hij op het idee, de kinine als geneesmiddel voor malaria te gebruiken. Omdat vele planten en mineralen bij een zekere dosis een heel typisch klachtenpatroon, een zogenaamd vergiftigingsbeeld geven, werd het hem duidelijk dat deze beelden alle bij een bepaalde ziekte zouden kunnen passen. Het geneesmiddelbeeld lijkt dus op het ziektebeeld. En juist door die stof of die plant toe te dienen, die het overeenkomstige beeld te zien geeft, wordt een genezingsproces in gang gezet: similia similibus curantur, oftewel: het gelijke wordt door het gelijksoortige genezen.

Als tweede belangrijke principe ontdekte Hahnemann, dat een geneesmiddel zodanig verdunt kan worden dat de werking niet afneemt, maar toeneemt. Zo werd het mogelijk middelen die anders weinig of geen invloed hebben, nu tot een goed werkzaam middel te maken. Het is zeer waarschijnlijk, dat deze methode van het stapsgewijs verdunnen in vroeger eeuwen al bekend was. Ook het principe van het gelijke met het gelijke behandelen, was in de oudheid niet onbekend. Hahnemann heeft beide echter opnieuw in de geneeskunde ingebracht en de grondslag gelegd tot een bloeiende tak van de geneeskunde, de homeopathie.

In het begin van deze eeuw heeft Rudolf Steiner met de antroposofie duidelijk gemaakt vanuit welke achtergronden de homeopatische principes te begrijpen zijn.
Tevens heeft hij de weg gewezen, om de natuur, de plantenwereld en de minerale wereld zodanig te leren kennen dat we kunnen gaan begrijpen wat de genezende kwaliteiten ervan zijn. Door een plant grondig te bestuderen, zowel in detail als vanuit de omgeving, zowel qua inhoudsstoffen als wat betreft het gebaar, komen we ook tot een beeld; een beeld van de kwaliteit en van de werkzaamheid van de plant. Dit beeld kan vervolgens benut worden bij een ziekte. Bij een ziekte gaat het niet zozeer om de symptomen (de verschijnselen), maar om de processen die tot de symptomen leiden: hoe verloopt de ziekte, welke processen zijn gaande ?
Het potentiëren is in antroposofische geneeskunde wel belangrijk, maar het is niet de enige methode bij de geneesmiddelenbereiding. Evenzo is het principe van het gelijke geneest het gelijke, slechts één van de principes in de antroposofische geneeskunde. Het is bijvoorbeeld ook mogelijk een ziekteproces juist met het tegenovergestelde te behandelen (zoals kou met warmte behandeld wordt).
Tenslotte is er een verschil in het gebruik van hoge potenties in de antroposofische geneeskunde en in de homeopathie.
In de homeopathie zijn zeer hoge potenties zoals C200 niet ongewoon. De kracht van deze potenties is soms indrukwekkend. Met het innemen van één maal een paar korreltjes wordt dan een effect bereikt dat wekenlang aanhoudt. Afgezien van het probleem dat ontstaat, als dit een negatief effect is, is deze krachtige werking een aanwijzing, dat hier met te sterke krachten gewerkt wordt. De behandeling dreigt hier net zo dwingend te worden als het met het gebruik van de gangbare, biochemische geneesmiddelen het geval is. Met het proces van potentiëren wordt de geestelijke werking steeds krachtiger. Bij potenties boven de D30 zouden er ee te sterke geestelijke werkingen kunnen ontstaan.
Het gaat er bij ziekte bovendien niet om de ziekte en de ziektesymptomen zo snel en zo krachtig mogelijk te doen verdwijnen. Het gaat meer om het goed doormaken van de ziekte en daarmee het volledig en goed genezen. Dit genezen is een proces, een weg. De geneesmiddelen zijn er om de zieke te stimuleren en te begeleiden op deze weg naar genezing.

Mens, natuur en ziekte
Ziekten in de mens hebben een bepaalde relatie met datgene, wat zich in de natuur afspeelt, met dat wat in de natuur te vinden is als plantengroei of met de mineralen.
Dat wat zich in de natuur afspeelt , weerspiegelt zich in de mens. Alles wat in de wereld te vinden is, tot en met de sterrenwereld aan toe, noemt men wel de makrokosmos. De mens is een afspiegeling daarvan in het klein: een mikrokosmos. Het weerspiegelen van een groter geheel in het klein, is een principe dat in de geneeskunde wel bekend is: bijvoorbeeld in de iris, in de voetzool, of in het oor weerspiegelt zich het gehele lichaam van de mens. Organen en alle andere delen van het lichaam tekenen zich in een klein gebiedje af. In het groot gezien is het ook zo dat de mens een weerspiegeling is van de aarde en de kosmos. Zo is de bloedsomloop in de mens te vergelijken met de kringloop van het water op de aardbol. Maar ook zijn karakteristieke eigenschappen van vele dieren in de mens terug te vinden.
En de wijze waarop planten met water omgaan, heeft een overeenkomst met de levensprocessen in de mens die het lichaamsvocht reguleren. Het gaat in de weerspiegeling dus niet om letterlijke overeenkomsten; het gaat om een overeenkomst in processen. Wat zich buiten in de wereld afspeelt, speelt zich in de mens in gemetamorfoseerde vorm, in een andere gedaante af.
Er is een gezegde dat luidt: daar is geen kruid voor gewassen. Dit gezegde geeft aan dat een bepaald probleem niet oplosbaar lijkt. Echter, in dit gezegde is tegelijkertijd een principe verborgen: dat voor de meeste ziekten wél een kruid is gewassen. Vele kruiden hebben dan ook een relatie tot een bepaalde ziekte.
De plantenwereld in al haar rijkdom en variaties, laat niet direct in het uiterlijk zien waar de overeenkomst met de zieke mens aanwezig is. Het is de kunst aan de plant de wezenlijke processen te leren aflezen, die overeenkomst hebben met de menselijke ziekteprocessen.

Voorbeelden van natuurlijke geneesmiddelen
De werking van een geneesmiddel kan vooral duidelijk worden uit het beeld dat we ons kunnen vormen van het mineraal, de plant of het dier waaruit het middel bereid wordt. Enkele voorbeelden uit de verschillende natuurrijken kunnen dat illustreren:

Een groot gedeelte van de aardkorst bestaat uit kwarts of verbindingen van kwarts. In graniet, het moedergesteente van de aardkorst, is zuiver kwarts als glasheldere korreltjes zichtbaar.
Soms vormt het kristallen, het z.g. bergkristal.
Het zand op de stranden bestaat grotendeels uit kwarts. Wordt zand met enkele andere toevoegingen gesmolten tot glas, dan wordt de eigenschap van kwarts weer zichtbaar: het glas is “glashelder”. Kwarts laat het licht vrij spel; deze helderheid zien we bij andere mineralen maar weinig. In de mens is het oog een orgaan dat vergelijkbaar helder is en het licht ongehinderd laat passeren. De huid heeft ook een doorzichtig laagje. Haren bevatten veel kwarts. De kwartswerking in deze grensgebieden bevordert dat de mens zich open kan stellen voor het licht.
Bergkristal heeft een duidelijke zeshoekige kristalvorm. Het heeft vormkracht in zich, en helpt samen met de lichtwerking vorm te brengen in het lichaam. Vooral daar waar de vorm verloren dreigt te gaan, zoals bij een ontsteking, waar alles gezwollen en chaotisch is, is dit van belang.

De kamille is een plant die op omgewerkte aarde, zoals op bouwterreinen, in de vroege zomerzon bloeit. Van ver is de typische geur al te ruiken. De Grieken vonden het naar een appel ruiken: “chamaimelon”, grondappel. De kamille wortelt niet diep, maar richt zicht juist meer op de vorming van vele bloemetjes die etherische oliën bevatten. In de bloem zit een kleine holte met lucht. De blaadjes van de kamille zijn vertakt als een hertegewei; ze doen “luchtig” aan. Als de zon op de kamille schijnt, is het een feestelijk, zomers gezicht.
De kamille is zelf licht, lucht en warmte. De kamille werkt dan ook ontkrampend en is vooral bij kinderen met buikkrampen een probaat middel.
Naast ontkramping heeft de kamille ook een ontstekingsremende eigenschap. De etherische olie bevat Azuleen, een diepblauwe stof die ontstekingswerend werkt. Etherische oliën zijn meestal kleurloos of gelig. Dit blauw is heel anders van karakter. Blauw is een koele kleur. Het past bij een verkoelende werking op een -warme- ontsteking. Bij ontstoken luchtwegen is het zo nuttig om met kamille te stomen.

Apis mellifica is de honingbij. De bij leeft geheel in het licht en de warmte van de zon. Zijn leefomgeving is onaards: de bloemen, de honing, de zomerlucht en de honingraat van bijenwas. Zelfs ‘s winters houdt het bijenvolk de warmte vast:
de bijenkast heeft dan een temperatuur van 37°.
De steek van de bij geeft een schrik en vervolgens een brandende, gloeiende pijn. De honingbij als geneesmiddel, apis, wordt dan ook gebruikt om het lichaam te doorgloeien, bijvoorbeeld bij te koude spieren en gewrichten.

Verschillende benaderingswijzen van ziekten
De behandeling van een ziekte geschiedt vanuit de verschillende richtingen in de geneeskunde op verschillende wijzen. Voordat we verder ingaan op de achtergronden van de antroposofische geneeskunde en de geneesmiddelen die daaruit zijn ontstaan, is het zinvol eerst de meest gangbare benaderingswijzen van ziekten: de reguliere, de homeopathische en de antroposofische, naast elkaar te zetten. Hierbij moet aangetekend worden, dat deze verschillende benaderingswijzen elkaar in veel gevallen niet uitsluiten: vaak kan de een aanvullend werken op de ander. Als voorbeeld kan dienen een bepaald soort ontsteking van de luchtwegen, een bronchitis. Bij een bronchitis zijn de kleinere luchtbuisjes ontstoken en zitten vol slijm.
In de reguliere geneeskunde wordt in zo’n geval een antibioticum gegeven om de bacteriën, die de oorzaak van de ontsteking zouden zijn te elimineren. Bovendien wordt een slijmoplossend middel gegeven om het slijm makkelijker op te kunnen hoesten.
In de homeopathie wordt een middel gezocht dat bij de eventuele karakteristieke klachten van de patient kan passen. Of de patiënt bleek is, of hij transpireert, op welk tijdstip het meest wordt gehoest, hoe de patiënt er geestelijk aan toe is, allerlei verschijnselen kunnen bepalend zijn voor een specifiek homeopathisch middel. Bovendien is de constitutie van de patiënt van belang bij de keuze van een middel.
In de antroposofische geneeskunde wordt voor extra warmte in de luchtwegen gezorgd; dit omdat kou van één van de belangrijke oorzaken is van een luchtweginfectie. Deze warmte kan bijvoorbeeld door het inwrijven met een olie (bv. thijmolie) geschieden. Daarnaast wordt een overmatige slijmvorming teruggedrongen door de stofwisseling te behandelen. Slijmvorming is een typische activiteit van de stofwisseling. In de organen van de buik is de afscheiding van slijm normaal, in andere gebieden in het lichaam is het een ziektetendens. Vaak is deze slijmvorming op een verkeerde plaats constitutioneel bepaald.
De bacterien worden niet speciaal bestreden: zij groeien omdat de omgeving, het zieke orgaan, dat toelaat. Geneest het orgaan, dan hebben de bacterien geen voedingsbodem meer en verdwijnen vanzelf.

Samenvatten kunnen we zeggen:
In de gangbare geneeskunde wordt een ziekte lichamelijk beoordeeld en wordt het lichaam behandeld.
In de homeopathie wordt het beeld van een geneesmiddel gezocht bij het symptomenbeeld van een ziekte.
In de antroposofische geneeskunde wordt vanuit een mensbeeld, vanuit de begrippen lichaam, etherlichaam, ziel en geest getracht het ziektebeeld te begrijpen; er wordt naar processen gekeken en daarbij naar geneesmiddelen gezocht die vergelijkbare processen bewerkstelligen of juist tegengaan.

De drieledigheid in de natuur
Eén van de sleutels tot het herkennen van deze processen ligt in de drieledigheid. In de drieledigheid gaat het om een principe dat in al het levende te vinden is: twee polen en daartussen een middengebied.
Bekijken we nu de plant : onderaan de plant bevindt zich de wortel. De wortel groeit de donkere vochtige aarde in. Met taaie, bleke wortels legt hij zich vast. Minerale stoffen worden door de wortel in het levende van de plant opgenomen. Bovenaan de plant zien we de bloem. Deze opent zich naar boven, naar het licht en de warmte van de zon. Geur en stuifmeel verspreiden zich in de atmosfeer. De kleuren van de bloem laten zich op afstand al zien, breiden zich ook in de omgeving uit.
Het bloemgebied staat zodoende tegenover het wortelgebied. De wortel duikt de donkere koude aarde in, richt zich op het middelpunt van de aarde. Dit is een samentrekkend gebaar. De bloem opent zich voor de wijde omtrek en laat een openend gebaar zien. Bloem en wortelgebied vormen een polariteit. In het tussengebied speelt zich een afwisselend uitbreiden en samentrekken af: in het blad een uitbreiding en in de stengel een samentrekking. Hier is een ritmische afwisseling.

Dit middengebied heeft de mens ook: in hart en longen hebben we organen die zich afwisselend samentrekken en openen.
Net als in de plant vindt hier ook de ademhaling plaats.
Het gebied van koelte, rust en samentrekking bevindt zich in de mens niet aan de basis, zoals bij de plant, maar in het hoofd. Bij het nadenken fronsen we de wenkbrauwen – een soort samentrekken. Nadenken vergt concentratie – letterlijk vertaald: samentrekking.
Het warme, levendige, zich uitbreidende vinden we daarentegen in de stofwisseling. Na een maaltijd, als de stofwisseling op gang komt, gaat dat gepaard met warmte en ontspanning. Met de ledematen zijn we op de omgeving, op de buitenwereld gericht. En evenals bij de plant bevinden zich in dit stofwisselings-ledematengebied ook de voortplantingsorganen. In de stofwisseling is de mens onbewust. De stofwisseling geeft de kracht om te handelen, te willen. In dit gebied dient het warm te zijn en is er voortdurend beweging. Er wordt wel gezegd, men moet het hoofd koel houden en de voeten warm.
In het hoofd is stilstand nodig, in de ledematen beweging, in het midden de afwisseling: ritme.
Het wakkere bewustzijn danken we aan het principe van afbraak. De energie die vanuit de stofwisseling beschikbaar komt wordt afgebroken en metamorfoseert zich tot bewustzijn, tot gedachten. Overdag leidt dit bewustzijn door deze afbraaktendens tot vermoeidheid. ‘s Nachts heeft de stofwisseling de overhand en bouwt alles weer op. Werkt het hoofdgebied te sterk dan ontstaan verhardende en uitdrogende ziekten: degeneraties, verstijvingen etc. Werkt het stofwisselingsgebied te sterk dan ontstaan oplossende ziekten, zoals ontstekingen.
Boven- en onderpool reageren vaak op elkaar. Een afbraaktendens vanuit de bovenpool zal een stofwisselingsreactie vanuit de onderpool geven.

De mens is zo gezien een omgekeerde plant. Dit heeft gevolgen voor de keuze welk deel van de plant gebruikt kan worden bij bepaalde ziekten. Geneesmiddelen die in het hoofdgebied dienen te werken, kunnen het beste uit wortels worden gemaakt, die voor het ritmische gebied uit bladpreparaten en geneesmiddelen voor de stofwisseling uit het bloemgebied.

Het vierledig mensbeeld.
Er is een wezenlijk verschil tussen al het dode, levenloze in de natuur en al datgene, wat leeft. Iets dat leeft heeft bijzondere eigenschappen, zoals groei, ontwikkeling en voortplanting. Deze kwaliteiten worden in de antroposofie het etherische genoemd. Het etherische is iets wat niet met de gewone zintuigen kan worden waargenomen. Door het etherische kan het levenloze, de materie, opgenomen worden en tot een levend organisme gemaakt worden.
Een plant is een levend wezen. Hij heeft een fysiek lichaam, uit de ‘dode” stoffen opgebouwd, en een etherlichaam. Het etherlichaam maakt het fysieke lichaam tot een levend lichaam. Alle levensprocessen, zoals de opname van licht, lucht, water en mineralen zijn een uitdrukking van het etherlichaam. Alle schoonheid en wijsheid die in de bouw van de plant te vinden zijn, zijn een manifestatie van het etherlichaam. Ook het DNA, de erfelijkheidssubstantie in de kern van de cel, dat zo in de belangstelling staat van de natuurwetenschap, wordt gemaakt door het etherlichaam. In de plantenwereld leeft een ontzaglijke vitaliteit. Vele planten groeien gewoon weer aan na afgesneden te zijn, of richten zich weer op na vertrapt te zijn. Deze groeikracht en levenskracht is ook karakteristiek voor het etherlichaam; het etherlichaam wordt ook wel levenskrachtenlichaam genoemd.
Een nieuw element wordt zichtbaar bij het dier. Het dier is niet meer gebonden aan eén vaste plek op de aarde. Het beweegt en kan zich verplaatsen. Een dier heeft een bepaald bewustzijn. Een plant kan midden op de weg groeien, onbewust van het dreigende gevaar. Het dier neemt de omgeving waar en reageert erop. Een dier heeft een ziel; in de antroposofie ook wel het astraallichaam genoemd. Bij dieren komen allerlei zielekwaliteiten te voorschijn, zoals honger, genoegen, angst, opwinding; het dier maakt eventueel geluiden, verbindt zich op die wijze (instinctief) met soortgenoten.
Het wezenlijke verschil tussen mens en dier laat zich zien in onze cultuur. Kranten lezen, machines bouwen, verjaardagen vieren, piano spelen, er zijn talloze menselijke activiteiten die in de dierenwereld ondenkbaar zijn. De mogelijkheid tot deze activiteiten heeft de mens door het denkvermogen.
Door het denken geeft de mens alles een plek in de wereld. Ook zichzelf leert de mens kennen: hij is een zelf-bewust wezen. Zodoende kan hij niet alleen de wereld veranderen, maar ook zichzelf. Hij kan z’n ziel, z’n gedrag in eigen hand nemen. Een dier leeft in een zekere wijsheid. Afhankelijk van de diersoort kan het dier typische dingen ondernemen, die bij hem passen. Een hond zal zich echter nooit als een koe gaan gedragen. Maar ook z’n eigen gedrag is alleen door bij veel invloed van buitenaf en slechts binnen bepaalde grenzen bij te sturen.
Een dier is sterk verbonden met z’n eigen leefwereld. Een mens kan zich bewust worden van z’n leefwereld en kan keuze’s maken. Dit zelfbewustzijn wordt in de antroposofie het geestelijke genoemd.
Dieren, planten en zelfs mineralen hebben ook dit geestelijke; ze hebben het echter niet hier op de aarde, maar in de geestelijke wereld. De mens brengt de geest mee op aarde.
De mens ís een geestelijk wezen. Zijn thuisland is de geestelijke wereld. Op aarde leeft hij in een belichaming. Dat is niet alleen het fysieke lichaam, zoals dat zichtbaar is, maar ook het etherlichaam en het astraallichaam. Deze drie lichamen, omhullingen voor de geestelijke kern, zijn vergankelijk. Het geestelijke is daarentegen duurzaam, is onsterfelijk. En het is daarbij voortdurend in ontwikkeling.
Het Ik, het astraallichaam, het etherlichaam en het fysieke lichaam worden de wezensdelen van de mens genoemd. Ze hebben alle vier hun typische eigenschappen, ook in medisch opzicht. Gezondheid hangt af van een juist evenwicht tussen de wezensdelen. Een te zwak etherlichaam geeft vermoeidheid en bevattelijkheid voor ziekten. Een te zwak etherlichaam wordt vaak veroorzaakt door een te sterk astraallichaam, wat zich in nervositeit en gejaagdheid of agressie uit. Het Ik probeert voortdurend te harmoniseren tussen de verschillende wezensdelen. Maar soms is een ziekte nodig om dit evenwicht te herstellen. Door een juist inzicht in datgene wat een ziekte op deze wijze wil herstellen, kan het geneesmiddel zo gekozen worden dat het hierin een ondersteuning geeft.

Karma en reïncarnatie
De mens ontwikkelt zich niet alleen tijdens het leven op aarde, maar ook daarna, in de geestelijke wereld. Daar wordt teruggekeken op het leven hier en daar wordt het aardeleven verwerkt. Dat wat goed en leerzaam is geweest, brengt nieuwe vaardigheden en kwaliteiten. Dat wat niet goed is geweest wordt geëvalueerd; en er worden plannen gemaakt dit te corrigeren. Dit principe, dat daden en ervaringen consequenties hebben voor een vervolg, noemt men het karma, het levenslot. In dit karma ligt een zekere logica. Heeft men een medemens slecht behandeld, dan wordt dit later goed gemaakt. Dit kan niet zonder meer in de geestelijke wereld. Dit dient in een volgend leven op aarde te gebeuren. Na een periode in de geestelijke wereld keert de mens terug naar de aarde. Hij belichaamt zich weer (reïncarnatie). Niet alleen zijn er voornemens bij een nieuw aardeleven, bepaalde zaken ten opzichte van anderen te corrigeren. Ook zijn ziekte en gezondheid mede afhankelijk van leefwijzen in vorige levens. Niet als schuld of straf, maar als logische consequentie met een belangrijk nut. Het lot werkt hier objectief. Wie een tocht door de kou maakt, kan hierdoor ziek worden en bij voorbeeld een longontsteking oplopen. Het is dan niet aan de orde om van schuld of straf te spreken. Het is dan vooral van belang dat er hulp geboden wordt en er een goede genezing volgt.

In het onderstaande worden de werking en de achtergronden van enkele antroposofische geneesmiddelen nader uitgewerkt. Eerder werden al enkele voorbeelden. Er zijn ook substanties die algemeen in planten voorkomen en bepaalde geneeskrachtige eigenschappen hebben, die vanuit de 3 of vierledigheid te begrijpen zijn. Als voorbeeld de etherische oliën.

Etherische oliën
Voorjaar en zomer zijn de jaargetijden waarin het heerlijk kan ruiken. Deze geuren, die vooral van de planten komen, zijn etherische oliën. Het zijn vluchtige stoffen die de plant maakt, vooral als ze gaat bloeien. De bloem heeft kleur en geur. Dit draagt bij aan de sfeer van ontspanning en blijheid die de zomer kenmerkt.
Witte bloemen geuren over het algemeen het sterkst. Bekend zijn de jasmijn, sering, de lelie en het lelietje der dalen. Van meer naar minder geuren: de gele, de rode, de blauwe en de groene bloemen. Als een bloem een gevulde variant heeft (meer bloemblaadjes), dan is de geur meestal minder of verdwenen (bv. de jasmijn). Het is alsof kleur en vormrijkdom ten koste gaan van het kunnen geuren van de bloem.
Hoe heter het klimaat, hoe meer etherische oliën er worden gevormd. Aan kust van de Middellandse Zee groeien kruiden als rozemarijn, lavendel en thijm; ook citroen en sinaasappelbomen geuren sterk.
Bepaalde families in de plantenwereld geuren bij uitstek: de lipbloemigen (thijm, rozemarijn en dergelijke), de schermbloemigen (venkel, anijs), de leliefamilie, de wijnruitfamilie(sinaasappel), de laurierfamilie en de myrtefamilie (eucalyptus); en ook de naaldbomen met hun harsen.

Etherische oliën zijn geen oliën! Ze hebben wel enige overeenkomsten: ze drijven, als een kleurloze tot gelige vloeistof, ook op water, en ze zijn brandbaar. Dit wordt zichtbaar door in een sinaasappelschil te knijpen bij een kaarsvlam.
Etherische oliën geven ook een vetvlek op papier, maar deze verdwijnt na enige tijd weer.
Oliën komen uit zaad, etherische oliën uit de bloem (soms ook uit het blad). Het zaad rijpt onder invloed van de zomerwarmte tot in de herfst; het heeft deze warmte in zich opgenomen in de vorm van een olie. Een etherische olie verbreidt zich onder invloed van de zomerwarmte vanuit de plant de ruimte in. Beide hebben met de zomerwarmte een relatie, maar de richting van hun proces is tegelijkertijd ook omgekeerd.
Chemisch gezien zijn de etherische oliën zeer goed brandbare stoffen. Het zijn koolwaterstoffen. Naast koolstof bestaat het dus uit waterstof: een gas dat zeer brandbaar is (met zuurstof: knalgas!) en ook heel licht. Het gaat direct omhoog, het streeft naar de periferie en moet in een omgekeerd glas opgevangen worden.
De etherische olie van rozemarijn is de meest waterstofrijke substantie uit het plantenrijk.
Overigens bestaan de etherische oliën uit zeer veel andere substanties, waaronder “alcoholen”. Eén extract bevat vaak enkele honderden verschillende stoffen.

Winning
Er is wel 130 kilogram rozenblaadjes nodig voor 30 gram rozenolie…
Vaak wordt met ether geëxtraheerd, uitgetrokken (anjer, jasmijn, acacia). Ook wordt wel met vet uitgetrokken (sering, lelietje van dalen, viooltje): de bloemen worden in het vet geduwden drie tot vier dagen uitgetrokken; vervolgens worden ze er uit gehaald en worden er weer verse bloemen genomen; dit herhaalt men zo’n tien maal. Vervolgens wordt het vet, verrijkt met de geurstoffen, weer geëxtraheerd. Zo is het een hele kunst om de vluchtige, etherische oliën te “vangen”!

Medicinale werking
Etherische oliën werken prikkelend op huid en slijmvliezen. De huid kan er rood van worden, de slijmvliezen gaan slijm produceren. In lichte dosering is dit gunstig voor de spijsvertering: maagsapsecretie en maagactiviteit worden bevorderd. De eetlust wordt dus gestimuleerd. Vandaar dat de aromatische kruiden in ons eten een goede werking hebben. Ook de opname van het voedsel wordt gestimuleerd.
Bij hoge doseringen van bepaalde etherische oliën ontstaan braken, diarree en bloedingen.
Ademen we teveel van de etherische oliën, zoals terpentijn, in dan ontstaan door de prikkeling hoofdpijn, sufheid en misselijkheid.
De etherische oliën werken antiseptisch, dat wil zeggen bacteriedodend. Anijs en tijm worden na innemen vervolgens door de longen uitgescheiden en werken dan slijmlosmakend en antiseptisch.
Dus naast het inademen van tijm, door inwrijven op borst en hals, werkt de ouderwetse tijmdrank dus ook wel degelijk.
Kamfer en menthol (pepermunt) zijn bijzonder omdat ze niet alleen verwarmend maar vooral ook verkoelend werken. Ook stimuleren ze het zenuwgestel, terwijl andere etherische oliën in hoge dosering het zenuwgestel meer afdempen.
Vroeger kende de apotheek de “species aromatica”, de aromatische kruiden. In een linnenzak gebonden werd als huismiddel bij kneuzingen en pijnen gebruikt; de verdampende etherische oliën hebben ook een licht anesthetische, een licht verdovende werking.

In de antroposofische geneeskunde wordt de etherische olie in verband gebracht met het geestelijke, het Ik in de mens. Dit werkt in het lichaam via de warmte. Allerlei ziekten, waarbij er een koude-probleem is, of waar het geestelijke op een of andere wijze onvoldoende kan inwerken, worden met oliën of etherische oliën behandeld.
Een thijm-inwrijving van de borst werkt verwarmend, versterkend en maakt ook minder bevattelijk voor de (kou) invloeden van buitenaf.

Bij suikerziekte is er ook een probleem met het warmte-organisme; hier is rozemarijnolie een belangrijk geneesmiddel.’Typische Heilmittel’

In de zg. ‘typische Heilmittel”, typisch in de zin van ‘geëigend”, namelijk voor een bepaalde ziekte, bracht Rudolf Steiner een geheel nieuw idee.
In deze geneesmiddelen worden planten gecombineerd, die elkaars polariteit zijn. Bij Primula Onopordon, een geneesmiddel voor hart en bloedsomloop, staan uitersten tegenover elkaar. Enerzijds een klein, fris voorjaarsplantje, de Primula veris oftewel sleutelbloem. Beschut onder de bomen is het een van de eerste planten in het jaar die de nieuwe krachten van de lente laat zien. Daartegenover de Onopordon acanthium, de ezelsdistel, een manshoge distel met grote, wit-viltige bladeren, die onder de brandende zomerzon midden op de steppe staat. Beiden doen iets bijzonders met hun bladgebied, het gebied dat overeenkomst heeft met het ritmische middengebied, waar ook het hart toe behoort. In dit preparaat, Primula Onopordon, wordt nog een derde plant toegevoegd: de Hyoscyamus niger, het bilzekruid. Dit is een gifplant die in blad en bloeiwijze een zeer sterk ritme laat zien; in andere opzichten staat hij tussen de Primula en de Onopordon in.
De namen van deze typische Heilmittel eindigen vaak op doron: in dit geval Cardiodoron.
Doron betekent: gegeven. Het zijn geneesmiddelen, waarvan Rudolf Steiner vertelt dat het regelrechte inspiraties zijn uit de geestelijke wereld. Ze zijn door de geestelijke wereld gegeven als hulp voor bepaalde ziekten.

De maretak
Een voorbeeld van een oud geneesmiddel dat op een nieuwe wijze gebruikt wordt, is de maretak (Viscum album).
In de antroposofische geneeskunde is het een van de grote geneesplanten. Zij wordt ingezet bij de behandeling van kanker. Later is uit natuurwetenschappelijk, biochemisch onderzoek bevestigd dat de maretak hiertoe bijzondere eigenschappen heeft: enerzijds celdodend, maar tegelijkertijd de immuniteit stimulerend. Maar ook zonder dat wetenschappelijk onderzoek blijkt de maretak bij nadere bestudering, vanuit het antroposofisch mensbeeld, een relatie te hebben met geïsoleerde gebieden in het lichaam zoals het kankergezwel dat ook is.

In december, als de dagen steeds korter worden, ziet men op de kerstmarkt deze plant met de witte bessen, ondersteboven hangend aan een touwtje. In de Angelsaksische landen is het een gangbare kerstversiering en wordt hij boven de deur gehangen. Er is een bepaald oud gebruik mee verbonden. Een meisje, dat onder de mistletoe (=maretak) staat, mag ongevraagd gekust worden. Ook wordt de maretak wel “vogellijm” genoemd. Het slijm van de bessen is zo kleverig dat het in een bepaald mengsel op takken werd gesmeerd om vogels te vangen. De Romeinen gebruikten dit reeds. Bovenal is het een geneeskruid, dat in de oudheid al bekend was. De druïden, een soort priesters, hadden een groot ontzag voor deze plant. Ze oogstten hem met gouden messen en gebruikten hem waarschijnlijk voor diverse ziekten.

De maretak groeit als halfparasiet op bomen. Hij vormt een geelgroene bolvormige kleine struik, die vooral ‘s winters opvalt: de bladeren vallen niet af. Het is één van de weinige loofplanten die zich van de aardskoude wintertijd niets aantrekt. De bomen waar hij op zit zijn vaak oud: verschillende bollen kunnen er in zitten; vaak hoog boven de grond. Het geeft de indruk dat de boom ziek is. Het kan aan gezwelvorming doen denken, eventueel aan de uitzaaiingen ervan. Van nabij bezien heeft de maretak echter, in tegenstelling tot een gezwel, een zeer regelmatige structuur. De bol groeit vooral aan de uiteinden, waarbij steeds een stengeltje, twee blaadjes en een soort bloemknop ontstaat. De twee blaadjes zien er merkwaardig uit: wat dikkig, met onduidelijke nerven; ze doen aan kiemblaadjes denken, de twee eerste blaadjes die uit het zaad komen en als eerste boven de grond verschijnen. Ook in andere botanische details is de plant heel “jong”, embryonaal te noemen. De onooglijke bloempjes bloeien in de nawinter, vruchtachtig, ananasachtig geurend. En van de zomer tot diep in de winter rijpen de vruchten tot witte, kruisbesachtige bessen uit. Intussen zijn er dan weer twee zijtakjes ontstaan, met weer twee blaadjes.
De blaadjes lijken, licht gedraaid, net propellers, met een zwaai steken ze naar buiten. Overal, ook aan de onderzijde van de bol doen ze dit! De maretak trekt zich niets aan van de zwaartekracht, noch van het zichtbare licht.
Een speciale lijster eet de bessen. In de bes zit een slijmachtige, kleverige substantie om het zaadje dat niet verteerd wordt, zodat het, op een tak gevallen, direkt vastkleeft. Het zaad is weer hoogstmerkwaardig. Het is dierlijk van indruk, net een kikkertje.
Op een tak geplakt, komt er na enige tijd een steeltje met een verdikking uit, die zich als een pootje neerzet op de boomstam.
Er wordt niet echt een doorlopende stengel gevormd. Het lijken losse stukken, die tegen elkaar aangedrukt zijn. Het doet aan geleedpotige dieren denken, zoals kreeften dat zijn.
De bloemknop ziet er dierlijk en pantserachtig uit.
De maretak is een hoogst merkwaardige plant, die als het ware niet van deze wereld is.

Kanker
Rudolf Steiner, de grondlegger van de antroposofie, heeft erop gewezen dat de maretak een typisch geneesmiddel tegen het kankerproces is. De viscum bevat ook sterke celdodende stoffen, in geringe concentraties. Op zich zijn deze stoffen vele malen sterker dan het sterkste cytostaticum! (chemische stoffen die in de ziekenhuizen tegen kanker worden gegeven). Ook zijn er immuun-stimulerende stoffen gevonden. Hoe belangrijk deze stoffen ook zijn, ze zijn toch slechts uitdrukking van wat er wezenlijk werkzaam is. Het is nu de vraag of we aan de plant kunnen zien dat hij deze werking heeft. Eerst kijken we naar het ziekteproces. Wat is een kankergezwel. Het is een stuk van het lichaam dat eigenwijs zijn eigen gang gaat, ongecontroleerd gaat groeien. Het is uit het geheel van het lichaam gevallen. Normaliter is het lichaam doortrokken van kosmische wijsheid; alles is op elkaar afgestemd. Dat wordt dus verbroken, plaatselijk, bij een gezwel. Dat zijn de gebieden die te koud, te aards worden, niet meer mee doen. Het is de warmte van het bloed die hier kan genezen. Zo kan koorts bijvoorbeeld een gunstige invloed op kanker hebben.
De maretak laat zien dat ze het aardse mijdt, en naar het kosmische, het “hemelse” streeft. Hoog boven de aarde op een boom, neemt ze een bolvorm aan. De blaadjes staan niet zoals bij een gewone plant, open voor wat er aan licht van buitenkomt, nee, ze staan reikhalzend naar de gehele omtrek: weg van hier, terug naar de sterrenhemel.
De maretak doorbreekt hierbij aardse wetmatigheden: werkingen van licht en schaduw, zwaartekracht en de kou van de winter. Koopt u een takje op de markt, houdt haar dan ook eens tegen de lage winterzon: de bladeren worden omrand door een lijn van licht. Het kan een beeld zijn voor het kosmische licht, waar de maretak naar toe wil. De maretak is een oeroude plant, zo geeft Rudolf Steiner aan. Ooit is er een fase in de evolutie van “dierplanten” geweest. Uit die tijd stamt hij. Aardse problemen speelden nog geen rol. Vandaar dat deze plant nu bij een aards probleem, bij een verhardend ziekteproces als kanker, kan helpen.

De maretak groeit op bepaalde boomsoorten. Daar hangt mede van af waar hij in het lichaam actief wordt. De maretak die op de appelboom groeit, werkt vooral op de stofwisseling en in het algemeen meer bij vrouwen. De maretak die op de den groeit, werkt daarentegen meer op de bovenste organen, zoals de longen, en is meer geschikt bij mannen. Ook wordt de werking van de maretak naar bepaalde organen geleid door de bijvoeging van metalen. Zilver bijvoorbeeld leidt de werking naar de voortplantingsorganen.
Een bekend preparaat dat van de maretak wordt gemaakt is Iscador, van de Weleda (één van de fabrikanten van antroposofische geneesmiddelen). Er zijn verschillende preparaten van andere laboratoria beschikbaar, zoals Iscusin, Viscum abnoba en Helixor.
Deze preparaten worden bij kanker via een injectie, soms per infuus, toegediend. Dit is noodzakelijk omdat het, door de mond ingenomen, niet voldoende werkzaam is. Vaak wordt om de dag een onderhuidse injectie voorgeschreven. Er wordt met een lage dosis begonnen, en in de loop van een serie van 7 injecties gaat de dosis omhoog. Na een serie volgt vaak een korte pauze. Het lichaam wordt zodoende tot activiteit opgeroepen.
De maretak-therapie is slechts een onderdeel van de therapie bij kanker in de antroposofische geneeskunde; andere therapieën zoals kunstzinnige therapie en euritmie zijn hier ook van groot belang.

Bereidingswijzen van antroposofische geneesmiddelen
Een belangrijke bereidingswijze is het potentiëren, het stapsgewijs verdunnen. Dit potentiëren is de methode die in de homeopathie al langer wordt toegepast.
Maar ook bepaalde warmtebehandelingen, zoals koken of destilleren, kunnen er toe bijdragen dat geneeskrachtige substanties beter in het lichaam opgenomen worden.
Welke bereidingswijze het beste bij een bepaalde substantie past, wordt bepaald door de achterliggende gedachten vanuit de antroposofische geneeskunde. Ook het ziekteproces waarvoor een middel gebruikt gaat worden, speelt hierbij een rol. Bevind het ziekteproces zich bijv. in de stofwisseling, dan kan een warmtebehandeling van de substantie nodig zijn om haar daar in de stofwisseling te laten werken.

Tenslotte is het de arts, die het ziekteproces in de mens in verbinding brengt met een substantie uit de natuur en zodoende het geneesmiddel tot z’n recht laat komen.

Potentiëren
Het potentiëren is eigenlijk een wonderlijk gebeuren: een stof wordt steeds meer verdund, zelfs zo sterk verdund dat er niets meer van over lijkt te zijn. Maar in plaats van een achteruitgang in de werkzaamheid vindt er een toename in de werkzaamheid plaats. Vandaar de benaming: potentiëren. Dat betekent zoveel als versterken.
Dat dit mogelijk is, hangt samen met de speciale wijze van verdunnen: dat gebeurt in stappen, terwijl daarbij de vloeistof ritmisch wordt geschud.
Men begint met een geconcentreerde vloeistof, bijvoorbeeld het uittreksel van een geneesplant. Een deel van die vloeistof, bijvoorbeeld 10 ml, wordt in een kolf gedaan en er worden 9 delen water, 90 cc, bijgedaan. Vervolgens wordt ongeveer 3 minuten goed geschud. De wijze van schudden kan variëren; een gangbare methode is een zodanig schudden, dat het water in de fles als golven in de branding ritmisch heen en weer beweegt. Dan wordt de fles neergezet om twee minuten tot rust te komen. De oplossing is nu 1 op 10 verdund en wordt “een D1” genoemd. De “D” staat voor Decimaal, tientallig. Van deze oplossing wordt nu weer 10 ml genomen en in een nieuwe fles weer met 9 delen water vermengd en weer geschud. Zodoende ontstaat de tweede verdunning, een D2. Een D2 is een oplossing die 2x 1:10, dus 1:100 verdund is. Hiervan wordt weer 10 ml genomen, weer 1:10 verdund en geschud, en zo ontstaat een D3. Een D3 is een verdunning van 1:1000, in drie stappen. Een veelgebruikte potentie is de D6. Dit is dus een verdunning van 1:1.000.000, in zes stappen.
Het is ook mogelijk te potentiëren in stappen van 1:100. Deze potenties heten “C” potenties, Centisemaal oftewel honderdtallig. Een C3 potentie is dus een verdunning van 1: 1.000.000 in drie stappen. Men zou denken dat dat dus gelijk te stellen is met een D6 potentie. Het blijkt echter, dat een C3 in z’n werking meer overeenkomt met een D3 dan met een D6 potentie! Hieruit blijkt hoe belangrijk de stappen van verdunnen zelf zijn. Ze zijn van grotere invloed dan de natuurkundig gemeten, exacte verdunningsgraad. C-potenties worden wel in de homeopathie gebruikt.

Vroeger was bij bepaalde methoden van potentiëren de graad van verdunning niet te bepalen. Dit was bijvoorbeeld zo bij de één-fles methode. Na het schudden liet men de fles leeg lopen. Vervolgens werd verdunningsvloeistof toegevoegd, geschud en de fles weer leeggegoten. Aan de binnenzijde bleef de fles na het leeggieten nat, dat wil zeggen, er bleef een kleine hoeveelheid vloeistof aan het glas zitten. Deze kleine hoeveelheid vloeistof was kennelijk voldoende om de volgende stap van verdunnen te kunnen maken.

Droog potentiëren
Het is ook mogelijk stoffen droog te potentiëren. Dit is noodzakelijk bij moeilijk oplosbare stoffen zoals de metalen. Deze worden in een mortier verwreven met melksuiker. Wel dient er veel langer verwreven te worden: een uur is noodzakelijk. Een sterkere verwrijving maken, bijvoorbeeld een D30, kost dan zoveel tijd, dat er van machines gebruik moet worden gemaakt.

Er is aan het potentiëren in de loop van de tijd al veel onderzoek verricht. Zo is het mogelijk plantengroei met gepotentieerde oplossingen te beinvloeden. Men kan een mineraal dat de groei bevordert, in verschillende potenties aanbieden en vervolgens meten hoe de groei beïnvloed wordt. Naast een groeibevordering ziet men dan, dat bij de hogere potenties de invloed omslaat in het tegendeel: de groei wordt belemmerd.
Zo wordt begrijpelijk dat bij slaapproblemen een opwekkend middel als koffie kan helpen om te slapen. Zodra koffie maar voldoende gepotentieerd wordt, slaat de werking om in het tegendeel. En dan doet het dienst als slaapmiddel!

De mate van potentiëren houdt verder ook verband met de gebieden in het lichaam waarin het geneesmiddel gaat werken. Lage potenties werken op de stofwisseling, middenpotenties (D10-D15) op het middengebied en hoge potenties (D20-D30) werken op het zintuig-zenuwstelsel. Bij de keuze van een potentie dient dus overwogen te worden, of het een probleem van één van deze drie gebieden betreft. Dit is niet altijd eenvoudig te bepalen. De stofwisseling heeft weliswaar haar thuisgebied in de onderpool, het buikgebied met name, maar werkt door tot in het hoofd. Een ontstoken oor kan bijvoorbeeld als stofwisselingsprobleem gezien worden.

In de geneeskunde zoals die al vanaf de oudheid wordt beoefend, gaat het om de stoffelijke werking van een geneesmiddel. Er wordt een uittreksel van een plant gemaakt en dat wordt volgens een bepaalde dosering ingenomen. Zo’n middel heeft een stoffelijke, we zeggen tegenwoordig: chemische, werking. Het is soms met de smaak waar te nemen: een middel smaakt bijvoorbeeld aromatisch of smaakt bitter. Bij het potentiëren echter wordt er zo sterk verdund dat er van die stoffelijke werking uiteindelijk niets meer overblijft.
Door het verdunnen in stappen en het schudden daarbij, verdwijnt het stoffelijke en komt iets anders te voorschijn. De stof verdwijnt, de kracht verschijnt, luidt een gezegde. De krachten die op een geestelijk niveau werkzaam zijn en zich in de materie hadden uitgedrukt, de plant hadden gevormd, komen vrij, nu de materie op deze speciale wijze tot verdwijnen wordt gebracht. Hahnemann had nog uitgesproken ideeën over het geestelijk werkzame dat door het potentiëren te voorschijn wordt gebracht. Nu wordt vaak getracht de werking toch uit de materie te verklaren. Men zoekt het in subtiele veranderingen in het water van een sterk verdund middel.

Rudolf Steiner heeft het geestelijke, in algemene zin, op wetenschappelijke wijze beschreven en duidelijk gemaakt dat alles wat zintuiglijk waarneembaar is, alles wat materieel is , een geestelijke achtergrond heeft. Een plant heeft een fysieke verschijning; maar in de plant werkt het geestelijke beeld van de plant. Bij het verdwijnen, of vernietigen van het stoffelijke van de plant, komt het geestelijke vrij. Doen we dit op deze speciale wijze, in de zin van het potentiëren, dan kan het geestelijke zich met het oplosmiddel verbinden en wordt zodoende werkzaam.
Dit geestelijke is niet als iets abstracts op te vatten. Het zijn geestelijke wezens, die de plant opbouwen en zich ermee verbinden. Het zijn de wezens, die in vroeger tijden vanuit een ander bewustzijn nog werden waargenomen en die bekend zijn als gnomen, nimfen, elfen en vuurgeesten. Rudolf Steiner noemt ze elementenwezens en beschrijft hoe ieder van deze wezens aan een eigen gebied van de plant werken. De gnomen werken in de wortel, de nimfen en elfen in het blad, de vuurgeesten in de bloem van de plant.
Bij deze manier van geneesmiddelenbereiding verdwijnt vorm en substantie van de plant . De elementenwezens worden hierbij bevrijd.

Bereidingen vóór het potentiëren
Het potentiëren is een sluitstuk van een heel proces. Na het potentiëren kan het geneesmiddel aan de mens worden toegediend. Er is echter een lange weg aan vooraf gegaan. Bij mineralen bijvoorbeeld dient een goede vindplaats van het mineraal te worden gezocht, dient het mineraal te worden gezuiverd en zo nodig chemische omzettingen te ondergaan. Bij planten gaat het om het kweken van de geneeskruiden, het oogsten, het schoonmaken en in oplossing brengen, en het verder behandelen, bijvoorbeeld met warmte.
In het algemeen worden planten koud, dat wil zeggen op kamertemperatuur uitgetrokken. In de antroposofische geneeskunde worden er ook behandelingen met warmte aangewend.

Warmtebehandelingen
Er zijn zeven warmteprocessen te onderscheiden waarmee de geneesplanten behandeld kunnen worden: digestio (37 °C), overgieten, koken, destilleren, roosteren, verkolen en verassen. Met deze warmtebehandeling verandert niet alleen de samenstelling van het geneesmiddel, maar ook de plaats waar het in het lichaam werkt.
Een koud uittreksel werkt vooral op het bewuste deel van de mens, het zenuw-zintuigstelsel. De huid hoort hier ook bij; het is een werking op de boven- buitenkant van de mens.
Wordt de plant gekookt, dan richt de werking van de plant zich op de stofwisseling, op het buikgebied, het onderste en inwendige.
Vandaar dat de mens voedingsplant vaak kookt alvorens het te eten: het maakt de groente beter verteerbaar, beter toegankelijk voor de spijsvertering. Rauwkost werkt verfrissend; het werkt op het “frisse”, koele gebied, het hoofdgebied. Waar de plant zich echter zelf richt op warmte en licht inwerking, namelijk in bloem, vrucht en zaad, daar is het plantaardige als het ware voorgekookt. Vruchten of zaden hebben zo vaak een warmtekwaliteit waardoor ze ook direct geschikt zijn voor de stofwisseling.
Bij het geneesmiddel kan men dus de werking op het hoofdgebied richten door een koud aftreksel te gebruiken en op de stofwisseling door een afkooksel voor te schrijven. In het laatste geval wordt achter de naam van de plant vermeld: decoct. (van decoctum ), bijvoorbeeld Levisticum radix D3 decoct.
Neem men een temperatuur van 37 °C, de temperatuur van het bloed, om een plant uit te trekken (digestio), dan krijgt het middel een verwantschap met het menselijk middengebied, het ritmisch systeem. Geneesmiddelen voor het hart zoals crataegus, worden zo bereid.
Een variant op het koken is het overgieten met kokend water (infusum); zoals in het dagelijks leven ook de koffie wordt gezet. Hierbij komen de vluchtige stoffen vrij, zonder door koken verder beschadigd te worden. Bloesems zoals linde en vlier worden zo behandeld.
Bij het destilleren wordt de plant langdurig met water gekookt; dampen ontwijken waarin vluchtige stoffen, zoals etherische oliën, aanwezig zijn. Deze damp wordt afgevoerd en afgekoeld. In het condensaat zitten onder andere de druppels etherische olie. Deze etherische oliën zijn geurige, brandbare verbindingen die vaak niet alleen heerlijk ruiken, maar tevens zeer versterkend werken, ook in de spijsvertering. Via de bijzondere warmtekwaliteit versterken ze de Ik-kracht in de mens.
Met roosteren (tostum) wordt droog verhit, zonder toevoeging van water. Hierdoor ontstaan geurige, zogenaamde aromatische stoffen. Bekend is het roosteren van suiker tot karamel. Dit proces werkt stimulerend op de spijsvertering: een geroosterde boterham is lichter verteerbaar.
Grote verhitting leidt tot het verkolen (carbo). Hierbij wordt geen lucht toegelaten, anders zou het een verbranden worden. Wel wordt zo sterk verhit, dat alles, wat in gasvormige toestand kan overgaan, uitgedreven wordt. Alleen een zwarte massa van koolstof blijft over. Het bekende houtskool is zo gemaakt, met hout als uitgangsstof. Bij de verkoling wordt alles in gasvorm uitgedreven; de kool, de carbo, is dan ook “begerig ” naar gassen, naar lucht. Het stimuleert dan ook de doorluchting, de doorademing van het lichaam. Niet alleen bij darminfecties, maar ook bij infecties in het algemeen is een stimulans van de doorademing van het lichaam een hulp. (Norit is ook een koolpreparaat; hierin wordt het opnamevermogen van plantaardige kool voor allerlei stoffen zoals vergiften, benut.)
Wordt tenslotte de verhitting tot het uiterste doorgevoerd, dan blijft na verbranding alleen nog de as over. Deze as oftewel het cinis preparaat bestaat uit de specifieke mineralen van een plant. Net als bij het carbo proces is nu alles wat kleur en leven was door de hitte ,,uitgeblazen “. Een as-preparaat werkt dan ook op de ademhaling, en wel zodat de uitademing gestimuleerd wordt. Bij allerlei nerveuze klachten en ook inslaapstoornissen is dit een hulp.
Samenvattend kunnen we zeggen dat koude aftreksels op de bovenpool werken. Bij warmtebehandelingen verschuift de werking naar de onderpool, en bij extreme warmtetoediening verplaatst de werking zich in de richting van het middengebied, de ademhaling.

Alcohol en ritmische behandeling
Een plant wordt in de bereiding vaak uitgetrokken met alcohol. De alcohol heeft twee voordelen. Er worden stoffen uitgetrokken die in water onoplosbaar zouden zijn. Alcohol is vurig van karakter, het heeft warmtekwaliteiten. Zodoende lost het ook stoffen op die een warmtekwaliteit hebben zoals harsen en etherische oliën. En daarnaast geeft de alcohol een goede conservering. Een nadeel van alcohol is echter dat het ook agressief is. Het “bijt”. De subtielere kwaliteiten van de plant kunnen hierdoor beschadigd worden. Het is wat dat betreft een vraag of er bereidingswijzen zijn die de kwaliteiten van de plant zo veel mogelijk intact laten. Vooral het probleem van de conservering komt dan om de hoek kijken.

Rudolf Hauschka, één van de grondleggers van de antroposofische geneesmiddelenfabriek WALA, heeft een methode ontwikkeld waarbij ritme een belangrijke rol speelt. In de natuur ontwikkelt het plantenorganisme zich onder invloed van ritmen, zoals het dag- nachtritme en het daarmee verbonden warmte- koude-ritme. Een organisme dat zo ontstaat, en gezond is, vormt een harmonisch geheel en is niet aan bederf onderhevig. Zelfs een appel bederft heel lang niet, zolang deze intact blijft. Hij heeft ook nog de kwaliteit van een organisme. Het idee ontstond, dat een plantaardige oplossing tot een zeker “organisme” zou kunnen worden, indien die bij de bereiding ook aan een ritme wordt onderworpen. Hiertoe laat men gedurende een periode van een week de plantaardige oplossing afwisselend aan licht en donker en aan kou en warmte over.
Als tijd van belichting wordt genomen een uur vóór tot een uur na zonsopgang en een uur vóór tot één uur na zonsondergang. Rudolf Steiner heeft aangegeven dat op deze tijden van de dag gunstige invloeden vanuit de kosmos op de aarde inwerken.
De rest van de dag en de nacht wordt het plantenpreparaat donker en afgeschermd onder een turflaag weggezet. Overdag wordt de temperatuur op 37 °C gehouden, ‘s nachts op 4 °C. Zo voltrekt zich een licht-ritme en een warmte-ritme. Er vind hierbij een licht gistingsproces plaats.
Deze behandeling heeft tot gevolg, dat plantaardige oplossingen, die normaal gesproken binnen afzienbare tijd tot bederf zouden overgaan, nu jarenlang, soms tientallen jaren lang, goed blijven.
De Wala gebruikt uitsluitend deze wijze van conserveren; de “W” en de “L” in de naam “Wala” staan ook voor “Warmte” en “Licht”.
Ook de Weleda heeft een vergelijkbare ritmische behandeling voor enkele van haar preparaten. Deze preparaten worden aangeduid met het achtervoegsel “Rh”.

Wijzen van toediening en hun werking op de mens
In de antroposofische geneeskunde worden aan de hand van het drieledig mensbeeld drie toedieningvormen onderscheiden.
De meest vanzelfsprekende wijze van gebruik van een geneesmiddel is het innemen ervan. Men noemt dit wel “per os”, dat wil zeggen, door de mond.
Het middel komt gewoon via de stofwisseling het lichaam binnen.
In de mond begint de werking eventueel al door de smaakzin. De smaak geeft niet alleen een bewuste reactie, maar werkt ook in onbewuste zin door.
Het in de mond houden van een medicijn kan zodoende de werking wat versterken. In de maag en darmen wordt de vertering voortgezet en komt het geneesmiddel in de opbouwstroom van het lichaam.
Er zijn geneesmiddelen, zoals de preparaten van de maretak, die per os niet werkzaam zijn. Daar is een andere toedieningweg noodzakelijk. Hier is het de injectie de juiste toediengsvorm. Dit heet wel “parenterale toediening”, dat wil zeggen, buiten de ingewanden om. De onderhuidse (=subcutane) injectie wordt veel gebruikt . Hiermee wordt toegang verkregen tot het ritmische gebied: dit is het gebied van de ritmische doorstroming met weefselvocht en de ademhaling van het weefsel.
Wordt er in de spieren (intramusculair) of in de bloedbaan (intraveneus) geïnjecteerd, dan bereikt men de meest directe werking: het bloed stroomt immers in korte tijd door het gehele lichaam.
Bij stomen brengt de waterdamp ook eventueel medicinale substanties, zoals thijm, mee in de luchtwegen, c.q. in dit ritmische gebied.
De derde toedieningsweg is die via de huid. De huid hoort bij het zenuw-zintuigstelsel. Het is een grensgebied met veel bewustzijnskwaliteit.
Niet alleen temperatuur, druk enz. worden waargenomen, ook geneeskrachtige substanties worden -onbewust- waargenomen. Met name kinderen reageren vaak goed op therapie via de huid.
Zij staan via alle zintuigen nog geheel open voor de buitenwereld.
Koper, een metaal dat doorwarmende en ontkrampende eigenschappen heeft, werkt goed bij buikkrampen. Het wordt dan als olie op de buik ingewreven.
Bij geurende middelen zoals lavendel, speelt ook de bewuste waarneming via de gewone zintuigen mee.
Via drie wegen bereikt een medicament de mens: het spijsverteringskanaal, via de huid en direkt in het ritmische middengebied.

Houdbaarheid
Op het etiket van het antroposofisch geneesmiddel staat een uiterste gebruiksdatum.
Deze datum is van overheidswege verplicht gesteld, en in de meeste gevallen kan deze datum ruim overschreden worden, al naar gelang de grondsubstantie.
Er is een verschil tussen bederf en vermindering van werkzaamheid. Van bederf zal (met uitzondering van zalven en oliën), slechts zelden sprake zijn. Het verminderen van werkzaamheid is verder minder van belang dan in de gewone geneeskunde, waar het vaak aankomt op de exacte dosis.

Druppels
De meeste druppels zijn met alcohol geconserveerd. Daarmee wordt een langdurige houdbaarheid bereikt. Een goede kwaliteit blijft 3-4 jaar behouden. Na zo’n 7-10 jaar wordt niet zozeer de kwaliteit slecht als wel de werkzaamheid minder.
De verdunning is hierbij van belang: hoe sterker verdund – hoe hoger het getal achter de “D”, bijvoorbeeld D15- hoe beter houdbaar. De middelen met een conkreet stoffelijk gehalte , bijvoorbeeld een 10% middel, zijn veel eerder aan kwaliteitsvermindering onderhevig. Indien de oplossing niet meer helder is en er een onoplosbaar bezinksel is ontstaan, dan kan het middel niet meer gebruikt worden.
Sommige middelen zijn van zichzelf troebel en dienen voor gebruik te worden geschud tot de vloeistof homogeen is.
De houdbaarheid is meestal korter zoals het etiket dan aangeeft.
Er zijn ook druppels die met het ritmische proces zijn behandeld. Deze zijn op waterbasis. De houdbaarheid na openen is korter. Deze komt wel overeen met de datum op het etiket.
Korrels, poeder en tabletten
De basis waarmee korreltjes, poeder en tabletten zijn bereid bestaat uit sacharose, melksuiker. Deze melksuiker geeft een goede bescherming tegen bederf. De werkzaamheid blijft echter minder lang behouden dan bij het gebruik van alcohol als conserveermiddel. Gedurende een periode van 2-3 jaar is een goede werking te verwachten.
Zalven en oliën
Voor de zalven en oliën worden geen chemicaliën ter conservering gebruikt in de antroposofische geneeskunde. Daarbij zijn de toegevoegde geneeskrachtige substanties vaak procentueel – een zalf bevat slechts bij uitzondering gepotentieerde middelen. Vandaar dat de houdbaarheid niet lang is.
Ruikt een zalf of olie ranzig, dan is het beter hem weg te doen. Een aromatische olie kan de geur verliezen. Na zo’n 2-4 jaar gaat de kwaliteit en werkzaamheid vaak te sterk achteruit.
Bewaren
Factoren die de houdbaarheid negatief beïnvloeden zijn licht en warmte. Licht heeft een afbrekende invloed. Vandaar dat de geneesmiddelen in bruin glas of in karton verpakt zijn. Te veel warmte, boven kamertemperatuur, en ook te sterke kou werken beschadigend. Een koelkast is eigenlijk al te koud. Vooral warmte-wisselingen werken negatief.
Algemene aanwijzingen voor het gebruik

Ritme
Een geneesmiddel wordt meestal drie maal per dag voor de maaltijd ingenomen. Niet alleen bieden de maaltijden een zeker houvast om aan het innemen te denken; ook biologisch gezien is rond deze tijd het lichaam er op gericht iets op te nemen. Het beste tijdstip ligt een half uur tot 5 min. voor de maaltijd. Men is dan hongerig en het organisme is gericht op alles wat wordt ingenomen.
Het ritme van innemen is belangrijker dan de exacte dosis.
Puur in de mond innemen en het middel er een tijdje erin houden is het beste. Vanwege het alcoholgehalte van de druppels is verdunnen met een lepel water mogelijk; bij kinderen is dit verdunnen noodzakelijk.

Dosering van druppels
Een gebruikelijke dosering is 3 maal daags 5 tot 10. Het exacte aantal is niet wezenlijk, men kan bijvoorbeeld ook kiezen voor 3 maal 7, of 3 maal 12 druppels.
Voor kinderen kan men de dosis halveren, voor baby’s kan een kwart van de dosis voldoende zijn.
In geval van een acuut ziektebeeld is de frequentie vaak hoger en wordt wel ieder uur of óm het uur (dat is ieder 2e uur) ingenomen. Bij chronische ziekteproblemen daarentegen wordt soms maar één maal daags ingenomen.

Dosering korrels en tabletten en poeder
Een korreltje komt globaal overeen met één druppel. Een uitzondering hierop vormen bijvoorbeeld de zeer kleine korreltjes van Ferrum Phosphoricum comp (Weleda), waarbij globaal drie korreltjes met één druppel overeenkomen.
Een tablet komt globaal overeen met 5 druppels. De dosering kan dus 3 maal daags 1 of 2 tabletten bedragen.
Een mespunt poeder komt overeen met 5 druppels, een halve theelepel poeder met 10 druppels.

Pepermunt, koffie en sigaretten
In de homeopathie is het gebruik van pepermunt, koffie en tabak tijdens een behandeling met geneesmiddelen niet toegestaan. Deze aanwijzingen gaan terug op de grondlegger van de homeopathie, Hahnemann. Hij zou deze aanwijzingen overigens slechts voor de behandeling van bepaalde typen ziekten hebben bedoeld. Het is wel voorstelbaar dat de sterke prikkels van deze genotmiddelen, de invloed van een homeopathisch of antroposofisch geneesmiddel deels zouden kunnen overstemmen.
In dat opzicht zijn vele sterke prikkels in deze tijd in zekere mate een verstoring op wat het geneesmiddel zou kunnen bereiken. Wil men een optimaal resultaat van een behandeling met geneesmiddel, dan verdient het aanbeveling de overmatige prikkels, zowel qua voeding als ook in immaterieel opzicht, zoveel mogelijk te beperken. Het zou anderzijds te ver gaan om te beweren, dat dergelijke genotmiddelen als bovengenoemde, de werking van de geneesmiddelen grotendeels teniet zou doen.

Gewone geneesmiddelen in combinatie met antroposofische geneesmiddelen
Het is een vraag of de grove biochemische werking van het “gewone”, allopatische geneesmiddel zich laat combineren met de verfijnde werking van een antroposofisch of homeopathisch geneesmiddel.
Er zijn argumenten om ze zo nodig wel te combineren. De werking van deze soorten middelen zijn van een geheel ander niveau. Al zal het antroposofisch middel meer gehinderd worden door het allopatisch middel dan andersom, toch kan geprobeerd worden zo, van verschillende zijde, op het organisme in te werken. Bij het luisteren naar muziek kan het wel zijn, dat het voorbij denderen van een vrachtwagen regelmatig de muziek overstemt. Tussendoor kan er echter nog voldoende geluisterd worden. Zo kan het antroposofisch middel hopelijk voldoende werken naast de invloeden van het allopatische middel.
Wel is af te raden deze verschillende soorten geneesmiddelen op hetzelfde tijdstip in te nemen.

Verkrijgbaarheid
De antroposofische geneesmiddelen zijn in iedere apotheek verkrijgbaar. Vanwege het grote aantal verschillende soorten middelen dat kan worden voorgeschreven, zal een apotheek niet zelden moeten bestellen. Binnen een dag kan zo’n bestelling geleverd worden.
Er zijn twee grote firma’s die de antroposofische geneesmiddelen leveren: Weleda en Wala.
Deze bedrijven hebben hun hoofdbedrijf in Duitsland en Zwitserland, maar hebben ook vestigingen in Nederland.

Huib de Ruiter, huisarts.

Afkortingen
constitutie = gestel
potentiëren = versterken van de werking door te verdunnen
potentie = verdunningsgraad

Op het recept
R/ Recipe, Men neme
S/ = Signa, Gebruik
dd. = de dato, keer daags
gtt = guttae, druppels
trit = trituratio, poeder
tabl = tabletten
ung = unguentum, zalf
D6 = 6e Decimaal, 106e verdund
C3 = 3e Centicemaal, 1003e verdund
a.c. = ante coenam, voor de maaltijd
p.c. = post coenam, na de maaltijd
a.n. = ante noctem, voor de nacht
iter = herhaal
supp = suppositorium, zetpil
pulv. = pulvis, poeder

flos = bloem
radix = wortel
pl. tot. = planta tota, gehele plant
semen = zaad
fructus = vrucht
summitates = jonge twijgen